Historie: ‘Ingrid Marie’ ontstond rond 1910 als toevalszaailing bij de kwekerij van de school in Flemløse op het Deense eiland Funen. Het ras werd genoemd naar de dochter van schoolmeester K. Madsen. ‘Ingrid Marie’ wordt als nakomeling van ‘Cox’s Orange Pippin’ vermeld en werd later zelf een ouder van onder meer ‘Elstar’.
Vorm: Kleine tot grote boom, helemaal afhankelijk van de onderstam:
- M9 – Zeer zwak groeiend; kleine, compacte bomen die snel dragen, ideaal voor intensief/leivorm. Vruchten uniform, goed gekleurd en vroeg rijpend; vraagt voedzame bodem en steun.
- M26 – Zwak tot matig; compacter dan gemiddeld, vroeg en betrouwbaar dragend. Grote, goed gekleurde en suikerrijke vruchten; geschikt voor tuin/kleine boomgaard.
- MM106 – Middelmatig; grotere, stevige halfstammen met regelmatige opbrengst. Vruchten middelgroot tot groot, goede kwaliteit; breed inzetbaar.
- MM111 – Vrij krachtig; sterke, diep wortelende bomen, tolerant voor droogte/moeilijke grond. Later dragend maar stabiel; goede, goed bewaarbare vruchten.
- Antonovka (zaailing) – Zeer krachtig; grote, langlevende hoogstammen, traag startend maar robuust en productief. Vruchten grover, stevig en goed bewaarbaar; geschikt voor extensief/minder ideale gronden.
Vruchten: De appels zijn middelgroot, rond en enigszins afgeplat. De geelachtige grondkleur is grotendeels bedekt met een donkerrode, soms gespikkelde blos. Het lichtgekleurde vruchtvlees is zacht tot stevig, sappig en licht aromatisch, met een rijke zoetzure smaak. De vruchten zijn geschikt als handappel en voor keukenbereidingen.
Rijptijd: Pluk: doorgaans eind september tot begin oktober.
Consumptierijp: oktober tot december. ‘Ingrid Marie’ vraagt volgens de RHS een bestuiver uit bloeigroep 3, 4 of 5 en kan dus als middenbloeier tot middellate bloeier worden behandeld.