Historie: ‘Argilière’ is een oud Frans landras, vermoedelijk afkomstig uit regio’s met zware klei‑ en leemgronden (argile = klei). Vooral verbonden met de streek van het Boulonnais en Artois. Het ras behoort tot het fruitkundige erfgoed van de regio en staat bekend als een triploïde appel. Daardoor groeit de boom doorgaans krachtig en productief, maar levert hij nauwelijks bruikbaar stuifmeel voor andere appelrassen.
Vorm: Kleine tot grote boom, helemaal afhankelijk van de onderstam:
- M9 – Zeer zwak groeiend; kleine, compacte bomen die snel dragen, ideaal voor intensief/leivorm. Vruchten uniform, goed gekleurd en vroeg rijpend; vraagt voedzame bodem en steun.
- M26 – Zwak tot matig; compacter dan gemiddeld, vroeg en betrouwbaar dragend. Grote, goed gekleurde en suikerrijke vruchten; geschikt voor tuin/kleine boomgaard.
- MM106 – Middelmatig; grotere, stevige halfstammen met regelmatige opbrengst. Vruchten middelgroot tot groot, goede kwaliteit; breed inzetbaar.
- MM111 – Vrij krachtig; sterke, diep wortelende bomen, tolerant voor droogte/moeilijke grond. Later dragend maar stabiel; goede, goed bewaarbare vruchten.
- Antonovka (zaailing) – Zeer krachtig; grote, langlevende hoogstammen, traag startend maar robuust en productief. Vruchten grover, stevig en goed bewaarbaar; geschikt voor extensief/minder ideale gronden.
Vruchten: De appels zijn middelgroot, groengeel tot geel, soms met een lichte blos. De smaak is fris‑zuur tot zachtzoet, met een stevige structuur. Geschikt voor vers gebruik, keuken, sap en cider.
Rijptijd: Pluk: eind september - oktober.
Consumptierijp: oktober tot januari.
Bewaring: 2 - 3 maanden koel en droog.
Bloeiperiode: Middenbloei (groep 3 - 4).